Alcide d’Orbigny was niet zomaar een reiziger met een notitieboekje. Hij was de architect van micropaleontologie, de wetenschappelijke discipline die microscopisch kleine fossielen bestudeert om de geschiedenis van de aarde te ontcijferen. Geboren in Couëron, Frankrijk, in 1802 en stervend in de buurt van Parijs in 1857, heeft zijn carrière opnieuw gedefinieerd hoe we de geologische tijdlijn van de planeet begrijpen.
Zijn meest transformerende periode begon in 1826. Acht jaar lang zwierf hij door Zuid-Amerika. Hij liep niet zomaar rond. Hij bestudeerde de mensen, de natuurlijke historie en de geologie van het continent met een precisie die zeldzaam was voor die tijd. Hij verzamelde deze bevindingen in een enorm werk van tien delen met de titel Voyage dans l’Amérique méridionale (1834–47). Hij produceerde ook de eerste uitgebreide kaart van het continent in 1842.
De echte doorbraak kwam echter van de rotsen zelf. Tijdens zijn studie van het Paraná-bekken in Zuid-Amerika concentreerde d’Orbigny zich op blootliggende fossieldragende lagen. Hij realiseerde zich dat sedimentaire gesteentelagen in opeenvolgende perioden in water werden afgezet. De sleutel tot het dateren van deze lagen lag in de fossielen erin.
Hij was de eerste die geologische formaties in verschillende stadia van afzetting verdeelde.
Deze methode legde de basis voor de stratigrafische paleontologie. Het stelde wetenschappers in staat gesteentelagen over grote afstanden met elkaar in verband te brengen door hun fossiele inhoud te matchen. Toch was d’Orbigny’s interpretatie van deze gegevens fundamenteel anders dan die van zijn tijdgenoot, Charles Darwin. Beide mannen waren rond dezelfde tijd in Zuid-Amerika. Darwin observeerde dezelfde verschijnselen. Maar terwijl Darwin zich in de richting van de evolutietheorie bewoog, geloofde d’Orbigny dat elke fase een unieke fauna vertegenwoordigde, gecreëerd door een speciale scheppingsdaad. Zijn opvattingen waren statisch. Die van Darwin waren dynamisch. Deze divergentie markeerde een grote kloof in de 19e-eeuwse wetenschap.
Ondanks zijn afwijzing van de evolutietheorie bleek zijn methodologie van onschatbare waarde. Door het bestuderen van kleine zeefossielen, pollen, granen en sporen gevonden in sedimentair gesteente, pionierde hij met de micropaleontologie. Dit vakgebied is niet louter academisch. Het heeft een enorme praktische waarde, vooral bij de aardolie-exploratie. Geologen vertrouwen vandaag de dag nog steeds op deze microscopische markeringen om oliereserves te lokaliseren, waarbij ze de geologische stadia volgen die d’Orbigny voor het eerst identificeerde.
Zijn werk werd voortgezet in Europa. In 1850 ondernam hij de gedetailleerde toewijzing van fossielen uit de Juraperiode in de geologische formaties van Noordwest-Europa. Zijn magnum opus, Paléontologie française (1840–54), omvatte 14 delen. Het is nooit voltooid. Het blijft echter een monumentaal verslag van zijn inspanningen om het fossielenbestand te categoriseren.
Hij stierf in 1857. De wetenschap die hij stichtte bleef echter in beweging. We gebruiken nog steeds zijn podia. We boren nog steeds naar olie met behulp van zijn methoden. De kaart die hij tekende is verouderd, maar de lens die hij maakte blijft scherp.
